
Ik nam een slok van mijn geliefde Glenmorangie, zette een CD van The Pogues op en tijdens het duet van de immer stomdronken leadsinger Shane MacGowan met de overleden Kirsty MacColl kwam er een fles Dom Pérignon voorrijden. De kurk kwam langzaam naar buiten, compleet met chauffeur. Hij wuifde en wees op de vier lege zitplaatsen. Ik stapte in en we vlogen weg met onbekende bestemming. Vreemd genoeg was het niet koud, ik had het zelfs aangenaam warm. De chauffeur had een witte cape om zijn nek geslagen. De twinkelende glitters flonkerden en verblinden mij zodanig dat ik zijn gezicht niet kon zien. Ik keek naar de haartjes op mijn arm die dansten in de lauwe wind, maar mijn blik dwaalde af naar een reusachtige boom waar drie mannen stonden te praten. De chauffeur, of moet ik hem piloot noemen, verminderde zijn snelheid en kwam precies voor de mannen tot stilstand. De boom leek oneindig hoog en had prachtige, maar heel onwerkelijke kleuren. De drie mannen kenden de chauffeur, dat was duidelijk, maar kende ik de mannen? Ik diafragmeerde mijn ogen en deinsde terug van verbazing.
George Harrison keek mij lachend aan met zijn stralende jongenslach uit A Hard Days Night.
‘Jezus,’ zei ik, terwijl ik mijn hersens op orde probeerde te houden.
‘Nee, hoor, gewoon George Harrison of wie je maar wilt zien,’ antwoordde de sologitarist van de FabFour.
‘Maak het nou niet al te ingewikkeld. Kun jij iemand anders zijn?’
‘Wie ik maar wil, maar met één restrictie.’
‘Laat me raden: hij moet dood zijn.’
‘Of zij moet dood zijn natuurlijk, want verder kan alles. Noem maar iemand.’
‘Dat wil ik wel, maar kom je dan nog terug? Ik zou je nog willen spreken.’
‘Geen probleem, dat vraag je gewoon aan de persoon met wie je op dat moment praat.’
‘Hemeltje, dat is misschien wel beledigend.’
‘De hemel bestaat niet en beledigingen kennen we niet. Alle aardse dingen die alleen maar problemen veroorzaken, kennen we hier niet.’
‘Het paradijs dus?’
‘Haha, zo noemen we het hier niet. Maar wie wil je even zien en spreken?’
‘OK, als je dan maar wèl terug wilt komen, dan zou ik zeggen: John Lennon.’
‘Ik wist het! Kijk eens naar de koetsier?’
Op dat moment draaide de man op de bok zich om en er was geen misverstand mogelijk. Het was John Lennon. Hij stak zijn hand op en riep: ‘Doe eerst een paar anderen. Ik spreek je straks.’
‘Die komt nog,’ glimlachte Harrison. ‘Wie dan nu?’
‘Elvis Presley,’ antwoordde ik, nog steeds in een raadselachtige en onwerkelijke waas.
‘Geef mij een hand.’
Ik keek naar mijn hand die ik uitstak naar Harrison, keek omhoog en merkte dat ik de hand van Elvis schudde. The King was gekleed als in de film Wild in the Country en hij zag er ook uit als iemand van zesentwintig.
‘Wat gebeurt er allemaal?’
Elvis trok een grimas en er was geen twijfel: hij was het! ‘Je mag even in de keuken kijken. Even zien wat er gebeurt na je dood. Je kunt iedereen zijn die je wilt. Je in zijn of haar gedachten verplaatsen, denken als die ander.’
‘En dat kan op elk moment dat je het wilt?’
‘Geen probleem. Als ik iets wil, ergens aan denk, dan gebeurt het en daar heb ik niet bij nodig. Alles is er omdat ik het wil, omdat ik het fijn vind of wat dan ook.’
‘Maar nu ben je pakweg vijf-, zesentwintig jaar. Kun je ook je leeftijd beïnvloeden? Kun je nu de Elvis worden van eind jaren zestig? De Elvis van de American Sound Studio Sessions?’
Als een computerbeeld veranderde de ene Elvis in de Elvis in zijn allerbeste tijd en hij keek met dezelfde levenslust als tijdens die studiorecordings.
‘Deze Elvis bedoel je?’
‘Ja, jeetje, ik kan het allemaal even niet volgen. Kan alles dan zo gemakkelijk?’
Presley keek mij doordringend aan en zei: ‘Het gaat allemaal nog veel verder. John vertelt je straks alles wat je wilt weten.’
‘Maar wie zijn dan die twee anderen? Ik herken ze niet.’
‘Ze zijn wie je wilt dat ze zijn. Zeg een naam, geef ze een hand en je kunt spreken met iedereen.’
‘… die dood is,’ mompelde ik.
‘Die dood is,’ herhaalde Elvis.
Ik draaide mij om naar de beide mannen achter mij. Ik herkende noch de één, noch de ander. Ik schudde de hand van een oudere man die mij vaag aan iemand deed denken. Familie? Nee, onmogelijk. Hoewel, er zijn er voldoende dood en als alles kan, waarom zou dat dan niet kunnen? Ik stak mijn hand uit naar de andere man die ik ook niet herkende, maar hij keek zo bijzonder uit zijn ogen dat ik wilde weten wie hij was. Ik vroeg het hem en de naam die hij noemde riep niets in mij op.
‘Als ik nu Albert Einstein zou willen zien,’ dacht ik en ik vroeg het meteen aan de man met de bijzondere ogen.
‘Nu al?’
‘Kan het?
Tuurlijk.’
Ik reikte hem mijn hand en schudde vervolgens de hand van Einstein. Gewoon Einstein, klip en klaar. Ik voelde mij huiverig. De productie en de omzetting van licht vanuit heuristisch gezichtspunt is nooit mijn ding geweest, wat niet wegneemt dat ik hem altijd wel bewonderde om zijn relativiteitstheorie.
‘Tijd voor een break,’ riep John Lennon en het leek alsof de tijd stilstond.
De onbekende man die onbekend zou blijven en Einstein stapte uit en waren opeens verdwenen.
Elvis stapte ook uit.
‘Blijf ik of komt George terug?’
Nog voordat ik gevraagd had of Elvis kon blijven en George kon komen, stond George als altijd breed lachend te kijken.
‘Ga zitten,’ zei Lennon en begon te vertellen.
‘Hier noemen we het The Great After en eigenlijk is hier alles wat je maar kunt bedenken. Anders gezegd: als je het bedenkt, is het er meteen. Wil je iemand zijn, dan ben je hem en wanneer je iets wilt, doe je het gewoon. Er zijn geen opties om iets te doen wat niet goed zou zijn. Verkeerde gedachten bestaan niet.’
‘Iedereen is iedereen en iedereen kent iedereen?’
‘Ja en nee. Je wordt iemand als iemand jou een hand geeft en de naam van een overledene uitspreekt. Die hoeft hij niet te kennen. Maar je bent er altijd. Als iemand mij een hand geeft en ik verdwijn bij het noemen van een naam, dan ben ik waar ik wil.’
‘En wat is waar?’
‘Het waar is het onzichtbare overal, The Great Eternal After.’
‘En zichtbaar als je het kunt zien.’
‘Als je dood bent,’ antwoorde Lennon met de blik in zijn ogen zoals alleen hij kan kijken.
‘En waarom kom ik juist jou tegen, John?’
‘Omdat je dat kennelijk wilde.’
Ik knikte. ‘Ja, maar ik ben toch niet dood?’
‘Iedereen is hier dood, maar jij gaat voorlopig nog een tijdje terug.’
‘Godallemachtig, terugkeren uit de dood dus.”Precies!
Én God?’
‘Jesus Christ, Ted,’ zei Lennon en hij klonk opeens als een donderslag. ‘God’s a concept!’
Ik knikte, het was duidelijker dan ooit. Ik keek vragend naar hem. ‘John?’
‘Ja?’
‘Zou je…?’
Lennon draaide zich om en opeens stond daar een glanzend witte vleugel. ‘Tuurlijk, zei hij.’
2 reacties so far ↓
Henk // december 27, 2008 bij 5:54 pm
MOOI !!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!
Maar wel geschreven door iemand met geloof dat er nog iets is na de dood en als er nog wat is, laat dit het dan maar wezen.
Sluymer // december 28, 2008 bij 10:24 am
De achterliggende gedachte is wat breder bedoeld. Als atheïst schrijf ik al vaker dat mensen gewoon biologische pakketjes zijn die het op een gegeven moment gewoon niet meer doen. Dan gaan we retour à la terre of we worden tot as verwerkt in een crematorium. Meer zit er niet in en wat de mensen er verder van maken, is fantasie. John Lennon heeft dat prachtig verwoord in meerdere songs. Stel dat mijn verhaal een paar duizend jaar geleden zou zijn verteld? Stel dat er een paljas geweest zou zijn die daar een heel overtuigend verhaal van had gemaakt? Ik verzeker je dat hij volgelingen zou hebben gekregen en de sekte zou zijn geboren. Ik blijf dus de atheïst die ik ben, maar ik zal zeker niet ontkennen dat ik een dromer ben. Die combinatie bevalt mij vooralsnog heel goed.